Migratie en immigratie in Europa: Een historisch en demografisch perspectief

Auteurs; Christof Van Mol, Helga de Valk

Vertaling; Vincent Schoers

Inleiding;

Dit hoofdstuk schetst de algemene ontwikkelingen van migratie binnen en naar Europa en de vestigingspatronen van migranten sinds de jaren vijftig. We nemen als uitgangspunt de bilaterale arbeidsmigratieovereenkomsten die in de jaren vijftig en zestig door verschillende Europese landen zijn ondertekend. Vanaf dit punt kunnen drie belangrijke perioden worden onderscheiden. De eerste, tot de oliecrisis in 1973-1974, werd gekenmerkt door gestage economische groei en ontwikkeling en de invoering van gastarbeidersregelingen, (terugkeer)migratie van voormalige koloniën naar het moederland, en vluchtelingenmigratie, hoofdzakelijk gedomineerd door bewegingen van Oost naar West. De tweede periode begon met de oliecrisis en eindigde met de val van het IJzeren Gordijn aan het eind van de jaren tachtig. In deze periode legden de Noordwest-Europese regeringen de migratie steeds meer aan banden, en werden de belangrijkste toegangswegen voor migranten gezinshereniging en gezinsvorming. Bovendien namen de asielaanvragen toe. Tegen het einde van deze periode begonnen de migratiestromen zich te verleggen naar voormalige emigratielanden in Zuid-Europa. De derde periode loopt van de val van het IJzeren Gordijn tot vandaag, met toenemende invloed en controle van de Europese Unie (EU) op migratie vanuit derde landen naar de EU en aanmoediging van intra-Europese mobiliteit.

Het hier gepresenteerde historische overzicht is het resultaat van een uitgebreide literatuurstudie, aangevuld met een analyse van de beschikbare statistische gegevens voor trends in het laatste decennium. Er moet wel op gewezen worden dat de statistische gegevens over migratie en mobiliteit in Europa meestal onvolledig zijn, aangezien zij hoofdzakelijk gebaseerd zijn op verslagen en registraties van de betrokken personen. Bovendien zijn gegevens over immigratie en emigratie niet altijd volledig beschikbaar en worden ze niet consequent over de landen en in de tijd gemeten (zie bv. EMN 2013). Dit betekent dat de kwaliteit van migratiegegevens vaak beperkt is (Abel 2010; Kupiszewska en Nowok 2008; Nowok et al. 2006; Poulain et al. 2006). Er zijn verschillende initiatieven en projecten gestart om deze problemen op te lossen en vergelijkbare definities, statistieken en schattingen van ontbrekende gegevens te bevorderen (Raymer et al. 2011). De meeste van de huidige 28 lidstaten van de EU produceren jaarlijkse statistieken over immigratie en emigratie. De informatie en de mate van detail zijn echter nog niet vergelijkbaar tussen de landen (voor een overzicht van databanken en beperkingen, zie Raymer et al. 2011). In de laatste paragraaf van dit hoofdstuk worden cijfers over migratie en migranten gepresenteerd die voornamelijk zijn gebaseerd op gegevens van drie onderzoeksprojecten die tot doel hadden geharmoniseerde en consistente migratiegegevens te creëren en te verbeteren (Abel en Sander 2014; Raymer et al. 2011, zie www.nidi.nlvoor meer informatie over de MIMOSA- en IMEM-projecten). Deze conclusie vat de belangrijkste patronen samen en bespreekt enkele implicaties van onze bevindingen.

Drie perioden van migratie in Europa…

Van de jaren 1950 tot 1974: Regelingen voor gastarbeiders en dekolonisatie,

In de periode na de Tweede Wereldoorlog kende Noordwest-Europa een economische bloei. Zo steeg de industriële productie tussen 1953 en 1958 met 30% (Dietz en Kaczmarczyk 2008). Inheemse werknemers in deze regio werden steeds beter opgeleid, en de groeiende mogelijkheden voor sociale mobiliteit stelden velen van hen in staat om door te stromen naar het witte-boordenwerk (Boyle et al. 1998). Lokale werknemers konden de vacatures niet vervullen, omdat de arbeidsreservoirs beperkt waren. Bovendien was de plaatselijke autochtone bevolking niet langer bereid om ongezonde en slecht betaalde banen in de landbouw, de schoonmaak, de bouw en de mijnbouw aan te nemen. Als gevolg daarvan begonnen de Noordwest-Europese regeringen arbeidskrachten te werven in perifere landen. De belangrijkste landen van bestemming waren België, Frankrijk, Duitsland, Luxemburg, Nederland, Zweden en Zwitserland. De aangeworven buitenlandse werknemers werden geacht naar huis terug te keren na een periode van arbeid. Zij kregen daarom over het algemeen weinig rechten en weinig of geen toegang tot sociale bijstand (Boyle et al. 1998). Aan het eind van deze periode waren de meeste migranten in Noordwest-Europa afkomstig uit Algerije, Griekenland, Italië, Marokko, Portugal, Spanje, Tunesië, Turkije en Joegoslavië.

Aanvankelijk speelde geografische nabijheid een belangrijke rol bij de ontwikkeling van specifieke migratiestromen. Zweden trok bijvoorbeeld arbeidskrachten aan uit Finland, het Verenigd Koninkrijk uit Ierland, en Zwitserland uit Italië. Er ontstond een migratiesysteem waarbij perifere – vooral Zuid-Europese – landen arbeidskrachten leverden aan Noordwest-Europese landen. De migratiestromen werden sterk gestuurd door verschillen in economische ontwikkeling tussen regio’s met een pre-industriële landbouweconomie en regio’s met een sterk geïndustrialiseerde economie (Bade 2003; Barou 2006), zowel op internationaal als op nationaal niveau (zo trokken ongeschoolde arbeiders van Zuid-Italië naar de industriële centra in Noord-Italië). Binnen de landen van herkomst waren de meeste migrerende werknemers afkomstig uit arme landbouwgebieden waar onvoldoende werk was, zoals Noord-Portugal, West-Spanje, Zuid-Italië en Noord-Griekenland (Bade 2003). De Europese regeringen breidden hun wervingszones echter geleidelijk uit naar landen buiten Europa. Een van de belangrijkste redenen was de deling van Europa door de Koude Oorlog, die de arbeidsmobiliteit tussen Oost en West sterk beperkte. In West-Duitsland was er bijvoorbeeld een aanzienlijke instroom van werknemers uit Griekenland, Italië en Spanje, en ook uit Oost-Duitsland. De bouw van de Berlijnse Muur in 1961 maakte aan dit laatste echter een einde. Als gevolg daarvan verlegde West-Duitsland zijn wervingsbeleid naar elders. Er werden bilaterale overeenkomsten gesloten met Turkije (1961), Marokko (1963), Portugal (1964), Tunesië (1965) en Joegoslavië (1968). Andere landen van bestemming, zoals België, Nederland, Frankrijk en Zwitserland volgden en ondertekenden in de jaren 1960 ook arbeidsmigratieovereenkomsten met deze landen.

In deze periode werd internationale migratie over het algemeen positief beoordeeld vanwege de economische voordelen (Bonifazi 2008), zowel vanuit het oogpunt van de uitzendende als van de ontvangende landen. In het Middellandse-Zeegebied bijvoorbeeld hielp emigratie de druk op de arbeidsmarkt te verlichten, aangezien de regio werd gekenmerkt door een aanzienlijke demografische druk, lage productiviteit en inkomens, en hoge werkloosheid (Page Moch 2003; Vilar 2001). Een vergelijking van het jaarlijkse bruto nationaal product per hoofd van de bevolking in de jaren zestig illustreert dit met 353 dollar voor Turkije, 822 dollar voor Spanje en 1272 dollar voor Italië; 1977 dollar voor het Verenigd Koninkrijk en 2324 dollar voor Frankrijk (Page Moch 2003, 180). Bovendien werd verwacht dat de overmakingen van migranten de nationale economie ten goede zouden komen. In Turkije bijvoorbeeld werden de geldelijke opbrengsten van migranten een vitaal element van de economie: het land werd zelfs economisch gedestabiliseerd toen in 1974 een einde kwam aan de arbeidsmigratie naar Duitsland (Barou 2006). De redenen voor herkomstlanden om emigratie te steunen, gingen echter verder dan de economische. De Italiaanse regering bijvoorbeeld beschouwde de arbeidsmigratieprogramma’s van de Noordwest-Europese landen als een manier om “zich te ontdoen van de werklozen en de socialistische en communistische partijen te beroven van potentiële kiezers” (Hoerder 2002, 520).

Schattingen van het aantal personen dat Italië, Spanje, Griekenland en Portugal tussen 1950 en 1970 verliet, variëren van 7 tot 10 miljoen (Okólski 2012). Zoals blijkt uit tabel 3.1 waren de immigrantenpopulaties in 1950 het talrijkst in Frankrijk, het VK, Duitsland en België.

Tabel 3.1

Minderheden in de belangrijkste West-Europese immigratielanden, 1950-1975 (duizenden en laatste kolom % van de totale bevolking)

Land1950196019701975% van de totale bevolking 1975
België3544447168358.5
Frankrijk21282663333941967.9
WDR, Duitsland548686297740906.6
Nederland771012363702.6
Zweden1241914114105.0
Zwitserland279585983101216.0
Engeland15732205396841537.8

Bron: Castles et al. (2014, 108). Zie Castles et al. (1984, 87-88) voor gedetailleerde bronnen

Noten: Cijfers voor alle landen behalve het VK hebben betrekking op buitenlandse ingezetenen. Genaturaliseerde personen en immigranten uit de Nederlandse en Franse koloniën zijn niet inbegrepen. Gegevens voor het VK zijn volkstellingscijfers voor 1951, 1961 en 1971 en ramingen voor 1975. De gegevens voor 1951 en 1961 hebben betrekking op personen die in het buitenland zijn geboren en sluiten kinderen uit die in het VK zijn geboren uit immigranten. De cijfers voor 1971 en 1975 omvatten kinderen die in het VK zijn geboren, maar waarvan beide ouders in het buitenland zijn geboren.

Twintig jaar later, aan het begin van de jaren zeventig, waren deze aantallen aanzienlijk toegenomen, zowel in absolute als in relatieve zin (tabel 3.1). Een op de zeven handarbeiders in het Verenigd Koninkrijk en een op de vier industriearbeiders in België, Frankrijk en Zwitserland waren medio jaren zeventig van buitenlandse afkomst (Page Moch 2003, niet in tabel). Tachtig procent van het totale buitenlandse bestand in 1975 was geconcentreerd in vier landen, namelijk Frankrijk, Duitsland, Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk (Bonifazi 2008).

Tegelijkertijd gaf het dekolonisatieproces aanleiding tot aanzienlijke migratiestromen naar de (voormalige) koloniale mogendheden van Europa. Een aanzienlijk aantal mensen uit de koloniën kwam naar België, Frankrijk, Nederland, het Verenigd Koninkrijk, en in de jaren 1970, Portugal. Veel van deze (terugkeer)migranten werden juridisch gezien als staatsburgers beschouwd; volgens schattingen zouden tussen 1940 en 1975 ongeveer 7 miljoen mensen van Europese afkomst uit de koloniën zijn teruggekeerd (Bade 2003). De belangrijkste (terugkeer)migratiestromen waren van Kenia, India en Maleisië naar het Verenigd Koninkrijk, van Noord-Afrika naar Frankrijk en Italië, van Congo naar België (zij het in kleinere aantallen), en van Indonesië naar Nederland (Bade 2003). Sommige van deze migranten, bijvoorbeeld uit het nieuwe Gemenebest, kwamen om economische redenen (Page Moch 2003). Anderen, zoals de Algerijnse harki’s (hulptroepen in het Franse koloniale leger) in Frankrijk, Aziatische Ugandezen in Groot-Brittannië, en een aanzienlijk deel van de Surinamers in Nederland, kwamen tijdens of na de onafhankelijkheid (ibid.). In de jaren zeventig ontving Portugal een aanzienlijk aantal burgers die “terugkeerden” uit zijn voormalige koloniën, op de vlucht voor gewelddadige gevechten in de onafhankelijkheidsstrijd. Hoewel Europese migranten die terugkeerden uit de kolonies er vaak snel in slaagden zich in het sociale weefsel van het moederland in te passen, was dit minder het geval voor diegenen van niet-Europese origine, die economisch en sociaal achtergesteld waren en ook vaak gediscrimineerd werden (Bade 2003).

Ten slotte heeft het IJzeren Gordijn de mobiliteit tussen Oost en West sterk beperkt. Toch heeft het de migratie tussen Oost en West niet volledig tot stilstand gebracht (Fassmann en Münz 1994). In tegenstelling tot onze periode-afbakeningen bespreken wij hier deze migratiepatronen, aangezien zij in deze periode begonnen. Tussen 1950 en 1990 migreerden 12 miljoen mensen van Oost naar West (Fassmann en Münz 1992), velen van hen naar Duitsland. Tussen 1950 en 2004 zijn bijvoorbeeld 4,45 miljoen Aussiedler – etnische Duitsers uit Midden- en Oost-Europa – naar Duitsland teruggekeerd (Dietz 2006). Tot 1988 migreerden de meeste Aussiedler uit Polen (Dietz 2006; Münz en Ulrich 1998). Het grootste deel van deze Aussiedler (63 %) kwam echter na 1989 (Dietz 2006). De overgrote meerderheid die na de val van het IJzeren Gordijn kwam, was afkomstig uit de voormalige Sovjet-Unie (Dietz 2006; Münz en Ulrich 1998). Af en toe was er echter een grotere instroom van Oost-Europeanen, na politieke crises zoals uit Hongarije (1956-1957), Tsjecho-Slowakije (1968-1969), en Polen (1980-1981) (Castles et al. 2014; Fassmann en Münz 1992, 1994). In lijn met de logica van de Koude Oorlog werden degenen die naar het Westen trokken, ongeacht hun motieven, beschouwd als politieke vluchtelingen (Fassmann en Münz 1994).

Van 1974 tot het einde van de jaren tachtig: De oliecrisis en migratiebeheersing,

De oliecrisis van 1973-1974 had aanzienlijke gevolgen voor het economische landschap van Europa. De crisis gaf een impuls aan de economische herstructurering, waardoor de behoefte aan arbeidskrachten sterk afnam (Boyle, Halfacree & Robinson 1998). In deze periode nam het geloof in ongebreidelde economische groei af. Zwitserland en Zweden waren de eerste landen die een migratiestop inriepen, respectievelijk in 1970 en 1972. Andere landen volgden: Duitsland in 1973 en de Benelux en Frankrijk in 1974. Beleidsmaatregelen om de migratie te controleren en te beperken hebben de migratie echter eerder veranderd dan gestopt. Het aantal buitenlandse ingezetenen bleef stijgen als gevolg van een verandering in de Europese migratiesystemen van circulaire migratie naar kettingmigratie en de daarmee gepaard gaande natuurlijke groei van de migrantenbevolking. Migranten uit niet-Europese landen die in het kader van regelingen voor de aanwerving van arbeidskrachten waren gekomen, vestigden zich steeds vaker permanent, aangezien het risico dat zij hun verblijfsvergunning kwijtraakten, groot was geworden wanneer zij voor langere tijd naar hun land van herkomst waren teruggekeerd. Veel migranten begonnen hun gezin naar Europa te brengen. Hoewel regeringen aanvankelijk probeerden gezinsmigratie te beperken, had dit weinig succes (Castles et al. 2014; Hansen 2003). Gezinshereniging van arbeidsmigranten werd immers beschouwd als een grondrecht, verankerd in artikel 19 van het Europees Sociaal Handvest uit 1961.

Ook de samenstelling van de inwonende migrantenbevolking is in deze periode veranderd. Terwijl in de eerste periode de Europese migranten het talrijkst waren, nam het aandeel van de niet-Europese migrantenbevolking in de tweede periode aanzienlijk toe. In Zweden bijvoorbeeld was 40% van de in het buitenland geborenen in 1999 niet-Europees, vergeleken met slechts 7,6% in 1970 (Goldscheider et al. 2008). Dit weerspiegelde de voortdurende immigratie en natuurlijke groei van deze bevolkingsgroepen. Maar het was ook het resultaat van een grotere omvang van de terugkeermigratie onder Zuid-Europese bevolkingsgroepen, gezien de toegenomen levenskwaliteit en arbeidskansen in Zuid-Europa (Barou 2006). In de landen aan de andere kant van de Middellandse Zee bleef de bevolkingsdruk aanzienlijk als gevolg van de hoge vruchtbaarheids- en werkloosheidscijfers. In deze periode nam het aantal Griekse, Italiaanse, Portugese, Spaanse en Joegoslavische buitenlanders in Europa af (behalve in Zwitserland, waar het aantal Portugezen en Joegoslaven toenam), en werd in heel Europa een aanzienlijke toename van het aantal Turken en Noord-Afrikanen waargenomen (Bade 2003).

Na de migratiestop controleerden landen in toenemende mate de binnenkomst van buitenlanders, en werd migratie een belangrijk onderwerp in nationale politieke en publieke debatten (Bonifazi 2008; zie ook Doomernik & Bruquetas in deze bundel). De toenemende werkloosheid als gevolg van de economische recessie wakkerde de vijandigheid, het racisme en de xenofobie tegenover bepaalde “zichtbare” groepen migranten aan. In verschillende Europese landen deden zich gewelddadige anti-buitenlandersincidenten voor. In Frankrijk bijvoorbeeld verwierf het Front National van Le Pen aanzienlijke politieke steun met zijn eenvoudige boodschap dat “2 miljoen werklozen = 2 miljoen immigranten te veel” (Boyle et al. 1998, 27). In deze periode groeide echter ook het besef dat de immigrantenbevolking niet meer weg te denken was. Als gevolg daarvan werd de noodzaak van een adequaat integratiebeleid duidelijk, en een dergelijk beleid begon zich langzaam te ontwikkelen (zie Doomernik en Bruquetas in dit boek).

In diezelfde fase begon het aantal asielaanvragen in Europa te stijgen (vooral in de jaren tachtig en na de val van de Berlijnse Muur; Hansen 2003). Tussen het begin van de jaren zeventig en het einde van de twintigste eeuw steeg het aantal asielaanvragen in de EU, toen nog 15 lidstaten, van 15.000 naar 300.000 per jaar (Hatton 2004). Duitsland was in alle perioden de grootste ontvanger van asielaanvragen in Europa (tabel 3.2). Vanaf de jaren tachtig werden ook in België, Nederland en het Verenigd Koninkrijk aanzienlijke stijgingen vastgesteld. De verschillende aantrekkingskracht van bepaalde Europese landen in de loop der tijd houdt verband met historische gebeurtenissen die tot nieuwe vluchtelingenstromen hebben geleid. De dramatische toename van asielaanvragen uit Europa in het begin van de jaren negentig ging bijvoorbeeld gepaard met het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en de Joegoslavische oorlogen (Hatton 2004, zie ook verderop in dit hoofdstuk).

Tabel 3.2

Asielaanvragen bij de EU-15 per land van bestemming, 1970-1999 (duizenden)

 1970–741975–791980–841985–891990–941995–99
Total EU aanvragen64.5213.7540.21012.32419.81613.5
Oostenrijk8.714.763.264.476.153.5
België1.76.614.532.187.093.4
Denemarken3.71.35.642.176.436.0
Finland0.10.311.46.9
Frankrijk5.140.5106.3178.7184.5112.2
WDR, Duitsland34.3121.8249.6455.31374.7749.6
Griekenland9.26.424.012.811.8
Ierland0.521.2
Italië11.09.216.526.340.848.8
Luxemburg0.15.7
Nederland5.38.846.4151.1170.4
Portugal01.74.31.33.91.7
Spanje5.415.753.130.4
Zweden41.997.1197.048.5
Engeland3.417.528.5150.8223.3

Bron: Hatton (2004, 10). De cijfers in Hatton (2004) zijn gebaseerd op UNCHR (2001, tabellen I.2, II.2, III.2, IV.2, VI.4, en VI.5).

De beperkingen op de toelating van buitenlanders in Noordwest-Europa hadden ook nog een ander effect. Vanaf het midden van de jaren tachtig verlegden de migratiestromen zich in toenemende mate naar Zuid-Europa, waarbij zij vooral in de jaren negentig aan kracht wonnen. Griekenland, Italië, Portugal en Spanje waren al lang emigratielanden. Daardoor beschikten zij niet over een goed ontwikkelde immigratiewetgeving en toegangscontrolesystemen. Bovendien hadden deze landen te maken met economische groei en dalende geboortecijfers, waardoor er tekorten aan arbeidskrachten ontstonden (Castles et al. 2014). De beschikbare banen waren vaak onregelmatige banen, gekenmerkt door ongunstige arbeidsvoorwaarden en lage lonen, waardoor ze onaantrekkelijk waren voor de lokale bevolking. Zuid-Europa werd zo een aantrekkelijke bestemming voor niet-Europese migranten, vooral die uit Noord-Afrika, Latijns-Amerika, Azië en – na de val van het IJzeren Gordijn – Oost-Europa (Castles et al. 2014).

Naast migratiestromen uit niet-Europese landen leidden de gunstige economische omstandigheden in Zuid-Europa ook tot terugkeermigratie van degenen die naar Noord-Europa waren getrokken. Spanje, bijvoorbeeld, registreerde de terugkeer van 451.000 burgers in deze periode, waarvan 94% in een ander EU-land had gewoond (Barou 2006). Portugal daarentegen kende een terugkeermigratie uit zijn vroegere koloniën, waar een felle en gewelddadige onafhankelijkheidsstrijd aan de gang was. Griekenland was het laatste land dat van een emigratieland in een immigratieland veranderde. Tot 1973 werkten ongeveer 1 miljoen Grieken in het buitenland (Bade 2003). De helft van hen keerde terug in de periode na de oliecrisis (ibid.).

Van de jaren negentig tot 2012: Recente tendensen in migratie naar en binnen Europa,

De migratiepatronen vanuit, naar en binnen Europa ondergingen vanaf 1990 aanzienlijke veranderingen en een verdere diversificatie. De ineenstorting van het IJzeren Gordijn en de openstelling van de grenzen van Oost-Europa leidden tot nieuwe migratiestromen door Europa. Het einde van de Koude Oorlog en de oorlogen in het voormalige Joegoslavië leidden tot nieuwe stromen van asielzoekers naar West-Europa. Tussen 1989 en 1992 stegen de asielaanvragen bijvoorbeeld van 320.000 tot 695.000, om aan het eind van het decennium te dalen tot 455.000 (Hansen 2003) en weer te stijgen tot 471.000 in 2001 (Castles et al. 2014). De top-vijf landen van herkomst in deze periode waren de Federale Republiek Joegoslavië (836.000), Roemenië (400.000), Turkije (356.000), Irak (211.000), en Afghanistan (155.000) (ibid.). In het eerste decennium van de eenentwintigste eeuw volgden de nieuwe asielaanvragen het conjunctuurverloop van de toelatingsbeperkingen en het aantal gewelddadige conflicten (ibid.). Tussen 2002 en 2006 daalden de asielaanvragen in de EU-15 van 393 000 tot 180 000 (ibid.). Vanaf 2006 stegen de asielaanvragen echter als gevolg van de conflicten in Afghanistan, Irak en, meer recentelijk, de Arabische lente. In 2010 hadden de EU-25 plus Noorwegen en Zwitserland 254 180 aanvragen ontvangen, en was humanitaire migratie goed voor 6% van de nieuwkomers in de EU (ibid.). De meeste aanvragen werden gedaan in Frankrijk (47.800), Duitsland (41.300), Zweden (31.800), het Verenigd Koninkrijk (22.100), en België (19.900) (OESO 2011, tabel A.1.3., geciteerd in Castles et al. 2014, 229).

De afschaffing van de grenzen door het Verdrag van Maastricht in 1992 heeft het verkeer binnen de EU aanzienlijk vergemakkelijkt (zie ook de volgende paragrafen van dit hoofdstuk). Tegelijkertijd werd de toegang tot de EU geleidelijk aan beperkt als gevolg van de eenwording van de Europese markt, die strikte grenscontroles en visumregelingen oplegde. Deze controles op de toelating van buitenlanders gingen hand in hand met een toename van illegale migratie (Bade 2003; Bonifazi 2008; Castles et al. 2014). Zowel de landen van herkomst van migranten als hun migratiemotieven werden steeds diverser.

Tegenwoordig komen migranten uit alle delen van de wereld in groten getale naar Europa: expats die voor multinationals en internationale organisaties werken, geschoolde arbeidskrachten uit de hele wereld, verpleegkundigen en artsen uit de Filippijnen, vluchtelingen en asielzoekers uit landen in Afrika, het nabije Oosten en Azië, uit de Balkanlanden en de landen van de voormalige Sovjet-Unie, studenten uit China, arbeiders zonder papieren uit Afrikaanse landen, om maar een paar van de belangrijkste categorieën immigranten te noemen (Penninx 2006, 8).

Tijdens deze derde periode werden integratiekwesties een centraal beleidspunt (zie Doomernik & Bruquetas in dit volume). Veel Europese landen verhoogden hun inspanningen om hooggeschoolde of opgeleide migranten aan te trekken. Dit doel wordt vandaag de dag nog steeds weerspiegeld in een aantal nationale programma’s, bijvoorbeeld in Denemarken, Duitsland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk. De EU stelde haar Blue Card Scheme in, een verblijfs- en werkvergunning voor de hele EU (Eurostat 2011). Bovendien werd de migratie van studenten van buiten de EU in sommige delen van de EU steeds belangrijker (ibid.). De regeringen van sommige landen hebben actief studenten geworven met de bedoeling om de “best and brightest” na hun afstuderen in hun binnenlandse arbeidsmarkt op te nemen (Lange 2013). Instellingen voor hoger onderwijs hebben zich bij deze inspanningen aangesloten, gestimuleerd door de economische voordelen van het aantrekken van internationale studenten in de vorm van hoge collegegelden (Findlay 2011). In deze context hebben verschillende Europese landen, zoals Frankrijk, Duitsland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk, procedures vereenvoudigd voor internationale studenten om de overgang van onderwijs naar werk te maken (Tremblay 2005; Van Mol 2014).

In de laatste paragraaf van dit hoofdstuk maken we onderscheid tussen mobiliteit binnen de EU van Europese burgers en migratie binnen en naar de EU van onderdanen van derde landen, aangezien deze groepen onder verschillende wetgeving vallen. Intra-Europese mobiliteit wordt vaak in positieve zin beschouwd, als een bijdrage aan de “vitaliteit en het concurrentievermogen” van de EU (bv. EC 2011, 3-4). Europese burgers hebben bovendien het recht om zich vrij te verplaatsen binnen de EU zonder dat ze een visum nodig hebben, en krijgen dus mogelijk te maken met minder institutionele belemmeringen in migratietrajecten. Migratie naar de EU gaat daarentegen nog steeds grotendeels gepaard met actieve maatregelen van toegangsbeperking en grenscontrole (zie bv. Raad van de EU 2002). In de afgelopen decennia vertegenwoordigde het Europese migratiebeleid dus “verschillende kruisende regimes van mobiliteit die de bewegingen van sommige reizigers normaliseren terwijl ze de ondernemingen van anderen criminaliseren en in de val lokken” (Glick Schiller en Salazar 2013, 189). De wereldwijde economische crisis die in 2008 begon, zou als het einde van deze derde periode kunnen worden beschouwd, omdat ze, althans tijdelijk, een einde maakte aan “de snelle economische groei, de uitbreiding van de EU en de hoge immigratie” (Castles et al. 2014, 103). Zoals Castles, De Haas en Miller (ibid.) echter constateren, is de daling van de immigratie uit niet-Europese landen eerder bescheiden geweest, en heeft de verwachte massale terugkeer naar de thuislanden van migranten zich vooralsnog niet voorgedaan. De crisis lijkt vooral de intra-Europese migratie te hebben beïnvloed, met een afname van het totale vrije verkeer binnen de EU en waarbij de perifere landen die het hardst door de crisis zijn getroffen – met name Griekenland, Ierland, Italië, Portugal en Spanje – opnieuw emigratielanden zijn geworden (Castles et al. 2014).

Migratie naar en van Europa,

We analyseren eerst de algemene trends in de migratie naar Europa, op basis van nieuwe schattingen van wereldwijde migratiestromen door Abel en Sander (2014). Hun cijfers zijn gebaseerd op door de Verenigde Naties gepubliceerde voorraadstatistieken. Merk echter op dat het gebruik van voorraadgegevens misleidend kan zijn voor het meten van stromen. Bovendien vertegenwoordigen de onderstaande tabellen weliswaar de beste beschikbare schattingen, maar zijn ze verre van volledig, omdat ze gebaseerd zijn op nationale statistieken en dus verschillende wetgeving en definities weerspiegelen. Dit leidt bijvoorbeeld tot problemen bij de vergelijkbaarheid tussen landen en in de tijd. De gepresenteerde cijfers moeten dan ook worden gezien als indicatief voor grotere patronen. De cirkelvormige grafieken tonen de migratiestromen vanuit verschillende wereldregio’s naar Europa en omgekeerd (fig. 3.1) voor vier vijfjarige periodes tussen 1990 en 2010. Bredere lijnen duiden op grotere migratiestromen, terwijl de pijl de richting van de stroom aangeeft. Zoals kan worden vastgesteld, is de migratie vanuit de landen van de voormalige Sovjet-Unie naar Europa na de val van de Berlijnse Muur op gang gekomen, maar daarna geleidelijk afgenomen. De migratie uit Afrika naar Europa nam toe, vooral in het midden van de jaren negentig. Voorts is de migratie uit Oost-, Zuid- en Zuidoost-Azië en uit Latijns-Amerika aanzienlijk toegenomen, vooral na het begin van de eenentwintigste eeuw. Ten slotte bleef de migratie uit Noord-Amerika, Oceanië en West-Azië relatief stabiel. Uit aanvullende Eurostat-gegevens (niet in de diagrammen) blijkt dat de instroom van niet-EU-migranten in de EU tussen 2009 en 2012 licht is gedaald, van 1,4 miljoen in 2009 tot 1,2 miljoen in 2012 (Eurostat 2014a).

Fig. 3.1

Cirkeldiagrammen van migratiestromen naar en uit Europa, per periode van 5 jaar tussen 1990 en 2010 (Bron: www.global-migration.info)

Wat het bestand betreft, was 4 % van de totale EU-bevolking in 2013 een niet-EU-onderdaan, goed voor ongeveer 6 % van de totale beroepsbevolking van de EU (Eurostat 2014a). Niet-EU-onderdanen waren gelijkelijk verdeeld over mannen en vrouwen (ibid.). Merk echter op dat deze gegevens naar nationaliteit niet alle Europese ingezetenen van buitenlandse origine omvatten (d.w.z. degenen die in het buitenland zijn geboren of een in het buitenland geboren ouder hebben), aangezien ze alleen betrekking hebben op degenen die niet de nationaliteit hadden van het land waar ze woonden. We zullen deze algemene tendensen hieronder verder uitwerken, waarbij we ons vooral richten op het laatste decennium.

Als we kijken naar de top-15 landen van herkomst van nieuwaangekomen immigranten in 2009 en 2012, zien we grote aantallen migranten uit India en China, gevolgd door Marokko en Pakistan (tabel 3.3). Op basis van cijfers uit 2008 lijkt het merendeel van de Indiase en Pakistaanse migranten naar het Verenigd Koninkrijk te zijn gegaan. De meeste Chinese migranten lijken naar Spanje te zijn gegaan (Eurostat 2011), en Marokkaanse migranten werden vooral aangetrokken door Italië en Spanje.

Tabel 3.3

Top-15 landen van herkomst van nieuw aangekomen niet-EU-migranten in de EU, 2009 en 2012

 2009 2012 
 Land van herkomstAantal migrantenLand van herkomstAantal migranten
1.India92,575India64,416
2.Marokko78,729Marokko53,121
3.China & Hong Kong65,367China & Hong Kong87,889
4.Ukraine47,747Ukraine26,068
5.Pakistan35,969Pakistan43,108
6.USA32,072USA38,587
7.Filipijnen29,800Filipijnen16,748
8.Albanië28,153Albanië16,775
9.Bangladesh25,611Bangladesh13,880
10.Peru24,740  
11.Moldavië24,222  
12.Brazilië24,204Brazilië18,307
13.Colombia23,274  
14.Nigeria21,657Nigeria21,130
15.Rusland21,057Rusland28,807
16.  Australië19,331
17.  Turkije16,198
18.  Afghanistan13,060

Bron: Eurostat (2014a)

Noot: De cijfers hebben betrekking op niet-EU-onderdanen die eerder in een niet-EU-land woonden en die zich in het betrokken jaar in een EU-lidstaat hebben gevestigd.

Naast de gegevens over nieuwaangekomen immigranten (stroomstatistieken) is het ook relevant te weten wat de belangrijkste landen van herkomst zijn van niet-Europese migranten die in de EU verblijven (voorraadstatistieken). Wanneer wordt gekeken naar de top-10 van landen van herkomst van niet-EU-onderdanen die in de EU verblijven (tabel 3.4), kan worden opgemerkt dat de grootste verblijvende bevolkingsgroepen afkomstig zijn uit landen waar Europa in de naoorlogse periode arbeidskrachten heeft geworven (Marokko en Turkije), alsmede uit voormalige koloniën (India en Pakistan) en landen dicht bij de oostgrens van de EU (Albanië, Rusland en Servië). De grote Chinese diaspora is ook prominent aanwezig, evenals de -meestal hooggeschoolde en levensstijl (Castles et al. 2014)-migranten uit de VS.

Tabel 3.4

Top-10 landen van nationaliteit van niet-EU-migranten die in de Europese Unie verblijven, 2012

 Land van herkomstAantal migranten
1.Turkije1.983.240
2.Marokko1.384.935
3.China & Hong Kong724.428
4.India650.710
5.Ukraine634.851
6.Rusland589.634
7.Albanië464.149
8.Servië408.491
9.Pakistan407.133
10.USA406.266

Bron: Eurostat (2014a)

Noot: De cijfers hebben betrekking op niet-EU-onderdanen die eerder in een niet-EU-land woonden en die zich voor een periode van ten minste 12 maanden in een EU-lidstaat hebben gevestigd.

Tot de jaren negentig kon de overgrote meerderheid van de migranten gemakshalve worden ingedeeld in de categorieën “gezinshereniging”, “arbeidsmigratie” en “asiel”. Sinds de jaren negentig zijn de migratiemotieven echter steeds diverser geworden, waaronder een groeiend aantal jongeren dat migreert om hoger onderwijs te volgen. Volgens Eurostat (2014a) kreeg in 2012 32 % van de migranten een verblijfsvergunning om familieredenen, 23 % voor werk, 22 % voor onderwijs, en 23 % om andere redenen, waaronder asiel. Bovendien moet worden opgemerkt dat deze categorieën alleen het belangrijkste migratiemotief vermelden zoals dat in de officiële statistieken is vastgelegd. In de praktijk weerspiegelen deze categorieën de migratiemotieven zoals die in toelating labels worden aanvaard. Beide kunnen in de loop van de tijd veranderen. Internationale studenten kunnen bijvoorbeeld na hun studie arbeidsmigrant worden en vervolgens gezinshereniging nastreven.

Ten slotte blijft migratie vaak niet beperkt tot een verhuizing van land A naar land B, maar kan zij verschillende opeenvolgende bestemmingen omvatten. De intra-EU-mobiliteit van onderdanen van derde landen vertoont tussen 2007 en 2011 een stijgende lijn. Deze trend is het meest prominent in Duitsland, waar het aantal onderdanen van derde landen dat uit landen van de Europese Economische Ruimte arriveerde meer dan verdrievoudigde, van 3784 in 2007 tot 11.532 in 2011 (EMN 2013). Een vergelijkbare stijging wordt ook waargenomen in het Verenigd Koninkrijk, waar de aantallen stegen van 1000 naar 3000 (ibid.). De stijgingen lijken bescheidener in andere EU-landen, zoals Oostenrijk (33,6 %), Finland (17,1 %), Nederland (53,7 %) en Zweden (30,2 %) (ibid.). Hoewel deze percentages hoog zijn, zijn de absolute aantallen over het algemeen laag. Vergeleken met Europese burgers blijkt dat intra-EU-mobiliteit van onderdanen van derde landen tussen 2007 en 2011 slechts een klein deel van de totale intra-EU-mobiliteit uitmaakt. Het aandeel van niet-EU-onderdanen in deze bewegingen komt nauwelijks boven de 4% uit in de landen waarvoor statistieken beschikbaar zijn: 1,8 % in Duitsland, 3,6 % in Oostenrijk, 3,7 % in Finland, 2,3 % in Nederland en 1,2 % in het Verenigd Koninkrijk (ibid.). Onderdanen van derde landen verhuizen bovendien naar landen die geografisch gezien dichtbij liggen, bijvoorbeeld van Duitsland en Italië naar Oostenrijk, van Estland en Zweden naar Finland, van Tsjechië en Duitsland naar Polen, van Oostenrijk en Tsjechië naar Slowakije, en van Denemarken en Duitsland naar Zweden (ibid.). Kortom, hoewel vaak wordt aangenomen dat lineaire migratietrajecten tussen twee landen nu minder gebruikelijk zijn (zie bijvoorbeeld Pieke et al. 2004), lijken niet-EU-migranten niet vaak binnen de EU te verhuizen. Dit kan te maken hebben met de wettelijke beperkingen die vaak aan deze groep migranten worden opgelegd, of het kan meer te maken hebben met factoren zoals taalovereenkomsten tussen aangrenzende landen (De Valk en Díez Medrano 2014).

Mobiliteit van EU-burgers…

Aantallen en bestemmingen,

Uit eerdere studies blijkt dat slechts een klein deel van de Europese bevolking mobiel is (Bonin et al. 2008; Pascouau 2013). Favell en Recchi (2009) laten bijvoorbeeld zien dat minder dan een op de vijftig Europeanen in het buitenland woont, en dat ongeveer 4% enige ervaring heeft met wonen en werken in het buitenland. Toch is de omvang van de mobiliteit binnen de EU tussen 2000 en 2011 duidelijk toegenomen (fig. 3.2). Uit gegevens van Eurostat (2011) blijkt bijvoorbeeld dat in 2008 bijna 2 miljoen EU-burgers binnen de EU verhuisden. In absolute aantallen maakte de Poolse migratie het grootste deel uit van de intra-EU-stromen in het eerste decennium van de eenentwintigste eeuw (fig. 3.2). Migratie tussen Polen en Duitsland kwam het meest voor, en omvat zowel bewegingen vanuit als naar Polen. De prevalentie van de Pools-Duitse migratie kan worden verklaard door het feit dat deze migratie is gereguleerd sinds 1990, toen de Duitse en Poolse regeringen een bilaterale overeenkomst ondertekenden die Poolse burgers toestond om gedurende drie maanden legaal seizoensarbeid te verrichten in specifieke sectoren van de Duitse economie (Dietz en Kaczmarczyk 2008). Dit leidde tot een sterke toename van de instroom van Poolse seizoenarbeiders in Duitsland, van ongeveer 78.600 in 1992 tot 280.000 in 2002 (ibid.). Van 2004 tot 2007, na de toetreding van Polen tot de EU, zien we een vergelijkbare toename van de bevolkingsbewegingen van Polen naar het Verenigd Koninkrijk. Dit kan worden toegeschreven aan het feit dat Ierland, Zweden en het VK – in tegenstelling tot andere EU-lidstaten – de migratie uit de nieuwe lidstaten niet hebben beperkt. Van deze drie bestemmingen waren Ierland en het VK het populairst, deels vanwege gunstige arbeidsmarktomstandigheden (Castles et al. 2014). In recentere jaren hebben echter veel Poolse migranten het VK verlaten, wat duidt op toenemende retourmigratie, wellicht gerelateerd aan de economische crisis, aangezien de Poolse economie is blijven groeien (Castles et al. 2014). Afgezien van de migratiestromen van en naar Polen, werden tussen 2000 en 2011 vergelijkbare in- en uitgaande bewegingen vanuit Roemenië waargenomen. Terwijl tussen 2000 en 2003 ongeveer 39.000 Roemenen naar Italië en Spanje migreerden, stegen deze aantallen in de daaropvolgende jaren tot ongeveer 110.000. Bovendien bleef de Roemeense migratie naar Italië relatief stabiel, in schril contrast met de migratiestroom naar Spanje, die tussen 2008 en 2011 sterk daalde. Dit kan worden toegeschreven aan de moeilijkere omstandigheden op de arbeidsmarkt in Spanje, als gevolg van de economische crisis, waardoor de beweging van Roemeense migranten naar andere EU-landen is verlegd (OESO 2013).

Fig. 3.2

Top-tien intra-Europese migratiestromen, 2000-2011 (absolute aantallen)

Naast de migratie tussen Oost-Europa en verschillende andere EU-landen zijn er ook aanzienlijke migratiestromen tussen het VK, Frankrijk en Spanje. Deze bewegingen omvatten waarschijnlijk de uittredingsmigratie van Noord- naar Zuid-Europa, maar wijzen ook op een toegenomen arbeidsmobiliteit tussen deze landen, vooral gezien de stromen naar het VK, zoals later nog zal worden besproken.

Ten slotte lijkt de wereldwijde economische crisis in de afgelopen jaren van invloed te zijn geweest op de patronen van migratie binnen de EU. Gegevens van de OESO (2013) laten bijvoorbeeld een toename zien van de emigratie uit landen die zwaar door de crisis zijn getroffen (tabel 3.5). Gevallen in dit verband zijn Griekenland en Spanje, waar de werkloosheid in 2013 tot ongekende hoogten steeg-27,3 % in Griekenland en 26,1 % in Spanje, met jeugdwerkloosheidscijfers van respectievelijk 58,3 en 55,5 % in datzelfde jaar (Eurostat 2014b). Landen die zich op hun weg naar economisch herstel hebben begeven, zoals IJsland en Ierland, hebben al dalingen geregistreerd van het aantal personen dat deze landen verlaat (OESO 2013). België, Duitsland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk blijken populaire bestemmingslanden te zijn, aangezien de intra-Europese migratiestromen naar deze landen in de 5 jaar voorafgaand aan 2012 bijna zijn verdubbeld. De crisis leidde echter ook tot migratie naar niet-Europese landen, zoals Argentinië, Australië, Brazilië, China, Turkije, de VS, en in het geval van Portugal, naar voormalige koloniën in Afrika (Castles et al. 2014).

Tabel 3.5

Migratie vanuit specifieke Europese landen naar de belangrijkste Europese en andere OESO-bestemmingslanden, 2007-2011

   index  Aantal (in duizenden) 
 200720082009201020112011 
Land van herkomst
Griekenland10010610214323639 
IJsland1001111631651354 
Ierland10010417421018121 
Italië10011611113214285 
Portugal1001209810312555 
Spanje10011412317322472 
Land van bestemming
Duitsland10010511613318878 
Engeland10012011317419588 
Zwitserland1001169610212133 
Belgie10014214616919315 
Nederland10013814415718412 
Andere OECD landen10010911612412950 
Totaal100115114140165275 

Bron: OESO (2013, 23)

Het is belangrijk voor ogen te houden dat de meeste van de vorige analyses gebaseerd zijn op absolute aantallen, waarbij EU-lidstaten met een grotere bevolking logischerwijs meer in beeld komen. We bekijken nu het relatieve belang van migratiestromen als aandeel van de totale immigratie- en emigratiecijfers van landen. Figuur 3.3 toont het relatieve aandeel van de EU-migratie voor geselecteerde EU-landen.

Fig. 3.3

Aandeel van intra-Europese migranten in de totale emigratie en immigratie voor geselecteerde Europese landen, 2008-2011 (%)

Intra-EU migratie vormt een substantieel deel van de bewegingen van en naar de meerderheid van de landen in Fig. 3.3. Op basis van deze cijfers kunnen we verschillende groepen onderscheiden. De eerste groep bestaat uit landen waar de intra-EU-immigratie en -emigratie het grootste deel van de migratiebewegingen uitmaken. Deze groep omvat Oostenrijk, Duitsland, Litouwen, Nederland, Noorwegen, Polen, Slowakije en Denemarken. De aantrekkingskracht van deze landen is te verklaren door hun goed ontwikkelde economieën. Van bijzonder belang binnen deze groep zijn Poolse en Litouwse migranten die naar andere Europese bestemmingen trekken. De tweede groep bestaat uit landen waar meer dan de helft van de emigratiebewegingen naar andere Europese landen gaat, en waar de immigratie meestal niet-Europees is. Deze groep bestaat uit Finland, Italië, Letland en Roemenië. Hun geografische ligging aan de grenzen van Europa zou dit patroon kunnen verklaren, aangezien deze landen immigranten uit naburige (niet-Europese) landen ontvangen en als doorreislanden fungeren. Bovendien zijn deze landen wellicht minder aantrekkelijk voor migranten uit andere EU-landen vanwege hun beperkte economische mogelijkheden en relatief lage lonen (met uitzondering van Finland). De derde groep bestaat uit landen waar zowel emigratie als immigratie van en naar niet-Europese landen nog steeds van aanzienlijk belang is. Deze groep omvat Spanje, Zweden en het VK. Voor Zweden zijn de populairste bestemmingen voor migranten (naast de noordse buurlanden) Engelstalige landen als het VK en de VS (Mannheimer 2012). Wat de aankomende bevolking betreft, zijn humanitaire opvang en gezinshereniging de belangrijkste immigratiekanalen in Zweden, wat het grote aandeel niet-Europese migranten verklaart (Fredlund-Blomst 2014). De migratiesaldi van Spanje en het VK weerspiegelen mogelijk de aanhoudende migratie uit voormalige koloniën en de historische banden met verschillende wereldregio’s, die bijvoorbeeld taalovereenkomsten omvatten. Het VK trekt een aanzienlijk aantal migranten aan uit ex-koloniën zoals India en Pakistan (Office for National Statistics 2011). Bovendien zijn de belangrijkste niet-Europese bestemmingen voor migranten uit het VK Engelstalige landen als Australië, Canada, Nieuw-Zeeland en de VS (Murray et al. 2012). Voor Spanje zijn niet-Europese migranten vooral afkomstig uit Marokko en Latijns-Amerikaanse landen, en emigreren Spaanse migranten naar Latijns-Amerikaanse landen als Argentinië en Venezuela (INE 2014).

Demografische kenmerken van intracommunautaire migranten,

Er is gesuggereerd dat vooral hoogopgeleiden gebruik maken van het vrije verkeer binnen de EU (Favell 2008). We onderzoeken daarom de demografische kenmerken van degenen die binnen Europa verhuizen, waarbij we ons richten op geselecteerde gevallen en de periode 2008-2011. Door deze gevallen, waarover we gedetailleerde informatie hebben, tegen elkaar af te zetten, wordt de diversiteit van migratiestromen en -motieven binnen Europa duidelijk. Uiteraard doet deze analyse geen recht aan recentere verhuizingen van Zuid-Europa naar Noordwest-Europa, maar gegevens om vergelijkbare analyses te maken zijn nog niet voorhanden.

We beginnen met de kenmerken van degenen die verhuizen. Figuur 3.4 toont bevolkingspiramides voor Poolse migranten die naar Duitsland trekken en vice versa. Zoals we eerder hebben aangetoond (zie Fig. 3.2), is de Pools-Duitse migratie in absolute aantallen de meest prominente intra-Europese migratiestroom. De bevolkingspiramides zijn indicatief voor de trend in de voorgaande jaren. De mobiliteit tussen beide landen wordt duidelijk gedomineerd door mannen, met name die tussen 20 en 50 jaar. Deze sterk door mannen gedomineerde trek van Poolse werknemers naar Duitsland lijkt tijdelijk, aangezien een vergelijkbare populatie weer teruggaat (vergelijk Fig. 3.4a en b).

Fig. 3.4

Bevolkingspiramide van migranten van Polen naar Duitsland (a) en van Duitsland naar Polen (b), 2008 (in %)

Wanneer we de Poolse migratie naar Duitsland vergelijken met de Poolse migratie naar Nederland, zien we een ander panorama (Fig. 3.5). Poolse migranten in Nederland zijn aanzienlijk jonger, de meerderheid is tussen de 20 en 35 jaar oud. Bovendien is er een evenwichtiger verdeling tussen mannen en vrouwen. Het samenvallen van deze migratiestromen met andere levenstransities, zoals het krijgen van kinderen en het vormen van een vakbond, is van cruciaal belang om inzicht te krijgen in de manier waarop intra-Europese mobiliteit zich in de loop van het leven ontwikkelt.

Fig. 3.5

Bevolkingspiramide van Poolse migranten naar Nederland, 2009 (in %)

Recent onderzoek naar Poolse migranten op basis van Nederlandse bevolkingsregisters laat zien dat zowel het hebben van kinderen als de partnerkeuze belangrijke determinanten zijn voor permanente vestiging (Kleinepier et al. 2015). Vergelijkbare bevindingen zijn gerapporteerd over intra-EU migrantengroepen in andere bestemmingen zoals België en het Verenigd Koninkrijk (zie bijv. Levrau et al. 2014; Ryan en Mulholland 2013). Waar over het algemeen circulaire en retourmigratie van intra-EU-migranten hoog is, lijkt dit vooral het geval te zijn voor degenen die jong, alleenstaand en geen kinderen hebben (zie bv. Bijwaard 2010; Braun en Arsene 2009; Kleinepier et al. 2015; Nekby 2006).

Het verband tussen levensloop en migratie wordt duidelijker wanneer we migranten uit Roemenië vergelijken met die uit het Verenigd Koninkrijk die in Spanje verblijven (Fig. 3.6). De Roemeense migratie naar Spanje wordt duidelijk gedomineerd door jongeren, met een oververtegenwoordiging van de categorie 20-24 jaar. De meeste van deze mannen en vrouwen kwamen naar Spanje voor werk of studie. De bevolkingspiramide van Britse ingezetenen in Spanje heeft een totaal andere structuur. Een deel van de Britse migranten is 30-40 jaar oud, en velen behoren tot de oudere leeftijdsgroepen, vanaf 55 jaar en ouder. De Britse migranten in Spanje lijken dus free movers te zijn die in Spanje komen werken naast gepensioneerde migranten.

Fig. 3.6

Bevolkingspiramide van Roemeense (a) en Britse (b) migranten in Spanje, 2008-2011 (in %)

Kortom, de patronen van migratie binnen de EU worden steeds diverser. Europese burgers genieten het recht van vrij verkeer en kunnen besluiten om zich tijdelijk of permanent in een ander Europees land te vestigen om uiteenlopende redenen, zoals gezinsvorming, pensionering, studie en werk. Tot slot is het cruciaal om te beseffen dat het indelen van migranten in bepaalde migratiemotieven nogal moeilijk is, omdat heel vaak meerdere verschillende redenen elkaar overlappen (zie bv. Gilmartin en Migge 2015; Santacreu et al. 2009; Verwiebe 2014).

Conclusie…

In dit hoofdstuk hebben wij ons gericht op de eerste hoofdrolspeler van de in hoofdstuk 1 van dit boek gepresenteerde binomiale, namelijk de migranten zelf. We hebben allereerst een historisch overzicht gegeven van de trends in de internationale migratie naar en binnen Europa sinds de jaren vijftig. Voorts hebben wij aan de hand van recente gegevens de demografische kenmerken van deze migratiestromen onderzocht, alsook de kenmerken van de in Europa verblijvende migranten. We hebben zowel immigratie als emigratie in de Europese context bekeken om voldoende recht te doen aan het dynamische karakter van migratie. Toch bieden onze bevindingen slechts een algemeen overzicht, aangezien de complexiteit van migratie van en naar Europa veel verder reikt dan de reikwijdte van één enkel hoofdstuk. Er werden drie historische perioden onderscheiden. Het is belangrijk deze verschillende perioden voor ogen te houden bij het bestuderen van de huidige migratiestromen in Europa. Ze helpen bij het kaderen, maar ook bij het analyseren van het (demografische) gedrag van migrantenpopulaties. De onderscheiden perioden kunnen ons helpen om de sociaal-demografische situaties waarmee migranten vandaag worden geconfronteerd, te structureren en te begrijpen. Bovendien stelt dit onderscheid in verschillende perioden ons in staat de huidige en lopende politieke en publieke debatten over migratie in Europa naar waarde te schatten.

De eerste periode werd gekenmerkt door arbeidsmigratie en een gunstige houding tegenover migratie, en bestreek de jaren vanaf het begin van de bilaterale gastarbeidersovereenkomsten tot aan de oliecrisis. De Europese regeringen wierven eerst gastarbeiders in Zuid-Europa, maar breidden zich al snel uit naar landen aan de grenzen van Europa. Naast arbeidsmigratie kenmerkte een belangrijke postkoloniale migratiestroom deze periode. Als gevolg van de onafhankelijkheidsstrijd in voormalige kolonies ontvingen veel Europese landen zowel terugkeermigranten als migranten die een vijandige conflictomgeving ontvluchtten. De Koude Oorlog beperkte de mobiliteit tussen Oost en West in deze periode.

De tweede periode liep van de oliecrisis in het begin van de jaren zeventig tot de val van het IJzeren Gordijn aan het eind van de jaren tachtig. Deze periode werd gekenmerkt door een stopzetting van de gastarbeidersmigratie en strenge toegangsbeperkingen voor nieuwe migranten. Toch werden de migratiestromen eerder getransformeerd dan stopgezet. Terwijl voorheen arbeidsmigratie het belangrijkste migratiekanaal was, nam gezinshereniging (en gezinsvorming) nu de hoofdrol over, en ook het aantal asielaanvragen nam toe. De Europese regeringen werden zich ervan bewust dat migranten waarschijnlijk op hun grondgebied zouden blijven, en begonnen langzaam een integratiebeleid te ontwikkelen. Dit is vandaag de dag nog steeds een belangrijk onderwerp in het discours.

De derde periode loopt van de jaren negentig tot vandaag. In deze periode is er sprake van een aanzienlijke diversificatie wat betreft landen van herkomst, bestemmingen, stromen, migratiemotieven en structuur van de migrantenbevolking. Een van de belangrijkste elementen in deze periode was het wegnemen van belemmeringen voor intra-Europese mobiliteit, terwijl migratie naar de EU beperkter is geworden. Als zodanig zijn de mobiliteit binnen de EU en de migratie naar de EU ingebed geraakt in verschillende en vaak tegengestelde discoursen. Het einde van deze derde periode zou kunnen worden gevormd door de economische crisis, die tot nu toe vooral de intra-Europese mobiliteitspatronen lijkt te hebben beïnvloed. Perifere landen zijn bijzonder hard getroffen door de crisis, en er is een toenemende tendens tot emigratie waarneembaar uit landen als Griekenland, Ierland, Italië, Portugal en Spanje. De immigratie van niet-EU-migranten lijkt echter minder te worden getroffen. Dit komt wellicht doordat veel migranten van buiten Europa andere aankomstroutes hebben gevonden, waaronder illegale binnenkomst en verblijf. Bovendien hebben de Europese landen belangstelling voor hoogopgeleide migranten in de context van een wereldwijde concurrentie om talent.

Het ziet er dan ook naar uit dat, vergelijkbaar met de “migratiestop” na de oliecrisis van de jaren zeventig of tijdens de Koude Oorlog, de migratie naar Europa de komende jaren eerder zal veranderen dan volledig tot stilstand komen. Mobiliteit binnen Europa kan in dit verband niet los worden gezien van migratie van buiten de EU. Het is dus zaak migratiesystemen te bestuderen in plaats van zich uitsluitend te richten op één aspect van mobiliteit. Tegelijkertijd duiden onze analyses in dit hoofdstuk ook op een toenemende tweedeling tussen migranten die zich in een gunstige situatie bevinden met gemakkelijke toegang en rechten in Europa (bijvoorbeeld vrije migranten uit de EU en hoogopgeleide migranten) en migranten die zich in een minder gunstige situatie bevinden (voornamelijk migranten die om andere redenen van buiten Europa komen). De ontwikkeling van deze tweedeling heeft belangrijke gevolgen voor het leven van individuele migranten en voor de sociale samenhang. De Europese samenlevingen moeten zich hiervan bewust zijn door middel van beleid dat is afgestemd op de diversiteit en het dynamische karakter van migratie, zoals we in dit hoofdstuk hebben aangetoond.

Opmerkingen…

Erkenningen,

Dit onderzoek maakte deel uit van en werd ondersteund door het European Research Council Starting Grant project (nr. 263829) “Families of Migrant Origin: A Life Course Perspective”.Open Access Dit hoofdstuk wordt verspreid onder de voorwaarden van de Creative Commons Naamsvermelding Niet-commerciële Licentie, die elk niet-commercieel gebruik, distributie en reproductie in elk medium toestaat, mits de oorspronkelijke auteur(s) en bron worden gecrediteerd.

Referenties…

  1. Abel, G. J. (2010). Estimation of international migration flow tables in Europe. Journal of the Royal Statistical Society: Series A (Statistics in Society), 173(4), 797–825.
  2. Abel, G. J., & Sander, N. (2014). Quantifying global international migration flows. Science, 343(6178), 1520–1522.
  3. Bade, K. J. (2003). Europa en movimiento: Las migraciones desde finales del siglo XVIII hasta nuestros días. Barcelona: Crítica.
  4. Barou, J. (2006). Europe, terre d’immigration: Flux migratoires et intégration. Grenoble: Presses Universitaires de Grénoble.
  5. Bijwaard, G. (2010). Immigrant migration dynamics model for the Netherlands. Journal of Population Economics, 23(4), 1213–1247.
  6. Bonifazi, C. (2008). Evolution of regional patterns of international migration in Europe. In C. Bonifazi, M. Okólski, J. Schoorl, & P. Simon (Eds.), International migration in Europe: New trends and new methods of analysis (IMISCOE research, pp. 107–128). Amsterdam: Amsterdam University Press.
  7. Bonin, H., Eichhorst, W., Florman, C., Okkels Hansen, M., Skiöld, L., Stuhler, J., Tatsiramos, K., Thomasen, H., & Zimmerman, K. F. (2008). Geographic mobility in the European Union: Optimising its economic and social benefits. IZA research report 19. Bonn: Institute for the Study of Labor.
  8. Boyle, P., Halfacree, K., & Robinson, V. (1998). Exploring contemporary migration. Essex: Pearson Education Limited.
  9. Braun, M., & Arsene, C. (2009). The demographics of movers and stayers in the European Union. In E. Recchi & A. Favell (Eds.), Pioneers of European integration: Citizenship and mobility in the EU (pp. 26–51). Cheltenham: Edward Elgar.
  10. Castles, S., Booth, H., & Wallace, T. (1984). Here for good: Western Europe’s new ethnic minorities. London: Pluto Press.
  11. Castles, S., De Haas, H., & Miller, M. J. (2014). The age of migration: International population movements in the modern world. Basingstoke: Palgrave Macmillan.
  12. Council of the EU. (2002). Seville European Council 21 and 22 June 2002: Presidency conclusions. Brussels: European Commission.
  13. De Valk, H. A. G., & Díez Medrano, J. (2014). Guest editorial on meeting and mating across borders: Union formation in the European Union single market. Population, Space and Place, 20(2), 103–109.
  14. Dietz, B. (2006). Aussiedler in Germany: From smooth adaptation to tough integration. In L. Lucassen, D. Feldman, & J. Oltmer (Eds.), Paths of integration: Migrants in Western Europe, 1880–2004 (pp. 116–136). Amsterdam: Amsterdam University Press.
  15. Dietz, B., & Kaczmarczyk, P. (2008). On the demand side of international labour mobility: The structure of the German labour market as a causal factor of seasonal Polish migration. In C. Bonifazi, M. Okólski, J. Schoorl, & P. Simon (Eds.), International migration in Europe: New trends and new methods of analysis (IMISCOE research, pp. 37–64). Amsterdam: Amsterdam University Press.
  16. EC. (2011). The global approach to migration and mobility. COM(2011) 743 final. Brussels: European Commission.
  17. EMN. (2013). Intra-EU mobility of third-country nationals. Brussels: European Migration Network.
  18. Eurostat. (2011). Migrants in Europe: A statistical portrait of the first and second generation. Luxembourg: Publications Office of the European Union.
  19. Eurostat. (2014a). Immigration in the EU. Brussels: European Commission.
  20. Eurostat. (2014b). Unemployment Statistics. Brussels: European Commission. http://epp.eurostat.ec.europa.eu/statistics_explained. Accessed 8 Aug 2014.
  21. Fassmann, H., & Münz, R. (1992). Patterns and trends of international migration in Western Europe. Population and Development Review, 18(3), 457–480.
  22. Fassmann, H., & Münz, R. (1994). European East-West migration, 1945–1992. International Migration Review, 28(3), 520–538.
  23. Favell, A. (2008). Eurostars and Eurocities: Free movement and mobility in an integrating Europe. Malden/Oxford: Blackwell Publishing.
  24. Favell, A., & Recchi, E. (2009). Pioneers of European integration: An introduction. In E. Recchi & A. Favell (Eds.), Pioneers of European integration: Citizenship and mobility in the EU (pp. 1–25). Cheltenham: Edward Elgar.
  25. Findlay, A. M. (2011). An assessment of supply and demand-size theorizations of international student mobility. International Migration, 49(2), 183–200.
  26. Fredlund-Blomst, S. (2014). Assessing immigrant integration in Sweden after the May 2013 riots. www.migrationpolicy.org. Accessed 13 Aug 2014.
  27. Gilmartin, M., & Migge, B. (2015). European migrants in Ireland: Pathways to integration. European Urban and Regional Studies, 22(3), 285–299.
  28. Glick Schiller, N., & Salazar, N. B. (2013). Regimes of mobility across the globe. Journal of Ethnic and Migration Studies, 39(2), 183–200.
  29. Goldscheider, C., Bernhardt, E., & Goldscheider, F. (2008). What integrates the second generation? Factors affecting family transitions to adulthood in Sweden. In C. Bonifazi, M. Okólski, J. Schoorl, & P. Simon (Eds.), International migration in Europe: New trends and new methods of analysis (IMISCOE research, pp. 226–245). Amsterdam: Amsterdam University Press.
  30. Hansen, R. (2003). Migration to Europe since 1945: Its history and its lessons. The Political Quarterly, 74(s1), 25–38.
  31. Hatton, T. (2004). Seeking asylum in Europe. Economic Policy, 19(38), 5–62.
  32. Hoerder, D. (2002). Cultures in contact: World migrations in the second millennium. Durham/London: Duke University Press.
  33. INE (Instituto Nacional de Estadística). (2014). Estadística del padrón de Españoles residentes en el extranjero: Datos a 1-1-2014. www.ine.es. Accessed 14 Aug 2014.
  34. Kleinepier, T., De Valk, H. A. G., & Van Gaalen, R. (2015). Life paths of Polish migrants in the Netherlands: Timing and sequencing of events. European Journal of Population, 31(2), 155–179.
  35. Kupiszewska, D., & Nowok, B. (2008). Comparability of statistics on international migration flows in the European union. In J. Raymer & F. Willekens (Eds.), International migration in Europe: Data, models and estimates (pp. 41–71). Chichester: Wiley.
  36. Lange, T. (2013). Return migration of foreign students and non-resident tuition fees. Journal of Population Economics, 26(2), 703–718.
  37. Levrau, F., Piqueray, E., Goddeeris, I., & Timmerman, C. (2014). Polish immigration in Belgium since 2004: New dynamics of migration and integration? Ethnicities, 14(2), 303–323.
  38. Mannheimer, L. (2012). Fler utvandrare än på 1800-talet, Dagens Nyhet. 20 Feb.
  39. Münz, R., & Ulrich, R. (1998). Germany and its immigrants: A socio-demographic analysis. Journal of Ethnic and Migration Studies, 24(1), 25–56.
  40. Murray, R., Harding, D., Angus, T., Gillespie, R., & Arora, H. (2012). Emigration from the UK (Research report 68). London: Home Office.
  41. Nekby, L. (2006). The emigration of immigrants, return vs onward migration: Evidence from Sweden. Journal of Population Economics, 19(2), 197–226.
  42. Nowok, B., Kupiszewska, D., & Poulain, M. (2006). Statistics on international migration flows. In M. Poulain, N. Perrin, & A. Singleton (Eds.), THESIM: Towards harmonised European statistics on international migration (pp. 203–231). Louvain-la-Neuve: Presses Universitaires de Louvain.
  43. OECD. (2011). International migration outlook 2011. Paris: Organisation for Economic Cooperation and Development.
  44. OECD. (2013). International migration outlook 2013. Paris: Organisation for Economic Cooperation and Development.
  45. Office for National Statistics. (2011). Migration statistics quarterly report, November 2011. London: Office for National Statistics.
  46. Okólski, M. (2012). Transition from emigration to immigration: Is it the destiny of modern European societies? In M. Okólski (Ed.), European immigrations: Trends, structures and policy implications (IMISCOE research, pp. 23–44). Amsterdam: Amsterdam University Press.
  47. Page Moch, L. (2003). Moving Europeans: Migration in Western Europe since 1650. Bloomington: Indiana University Press.
  48. Pascouau, Y. (2013). Intra-EU mobility: The “second building block” of EU labour migration policy (Issue paper no. 74). Brussels: European Policy Centre.
  49. Penninx, R. (2006). Introduction. In R. Penninx, M. Berger, & K. Kraal (Eds.), The dynamics of international migration and settlement in Europe: A state of the art (IMISCOE joint studies, pp. 7–17). Amsterdam: Amsterdam University Press.
  50. Pieke, F., Nyiri, P., Thuno, M., & Ceccagno, A. (2004). Transnational Chinese: Fujianese migrants in Europe. Stanford: Stanford University Press.
  51. Poulain, M., Perrin, N., & Singleton, A. (Eds.). (2006). THESIM: Towards harmonised European statistics on international migration. Louvain-la-Neuve: Presses Universitaires de Louvain.
  52. Raymer, J., De Beer, J., & Van der Erf, R. (2011). Putting the pieces of the puzzle together: Age and sex-specific estimates of migration amongst countries in the EU/EFTA, 2002–2007. European Journal of Population, 27(2), 185–215.
  53. Ryan, L., & Mulholland, J. (2013). Trading places: French highly skilled migrants negotiating mobility and emplacement in London. Journal of Ethnic and Migration Studies, 40(4), 584–600.
  54. Santacreu, O., Baldoni, E., & Albert, M. C. (2009). Deciding to move: Migration projects in an integrating Europe. In E. Recchi & A. Favell (Eds.), Pioneers of European integration: Citizenship and mobility in the EU (pp. 52–71). Cheltenham: Edward Elgar.
  55. Tremblay, K. (2005). Academic mobility and immigration. Journal of Studies in International Education, 9(3), 196–228.
  56. CrossRefGoogle Scholar
  57. UNCHR. (2001). Asylum applications in industrialised countries, 1980–1999. Geneva: United Nations High Commissioner for Refugees.
  58. Van Mol, C. (2014). Intra-European student mobility in international higher education circuits: Europe on the move. Basingstoke: Palgrave Macmillan.
  59. Verwiebe, R. (2014). Why do Europeans migrate to Berlin? Social-structural differences for Italian, British, French and Polish nationals in the period between 1980 and 2002. International Migration, 52(4), 209–230.
  60. Vilar, J. B. (2001). Las emigraciones Españolas a Europa en el siglo XX: Algunas cuestiones a debater. Migraciones & Exilios, 1, 131–160.

Geef een antwoord